Informatie over het woord maken (Nederlands → Esperanto: fabriki)

Uitspraak/ˈmakə(n)/
Afbrekingma·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) maak(ik) maakte
(jij) maakt(jij) maakte
(hij) maakt(hij) maakte
(wij) maken(wij) maakten
(gij) maakt(gij) maaktet
(zij) maken(zij) maakten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) make(dat ik) maakte
(dat jij) make(dat jij) maakte
(dat hij) make(dat hij) maakte
(dat wij) maken(dat wij) maakten
(dat gij) maket(dat gij) maaktet
(dat zij) maken(dat zij) maakten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
maakmaakt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
makend, makende(hebben) gemaakt

Vertalingen

Afrikaansaanmaak; vervaardig
Catalaansfabricar
Deensfabrikere
Duitsfabrizieren; herstellen
Engelsfabricate; manufacture
Esperantofabriki
Faeröersframleiða
Fransfabriquer
Italiaansfabbricare
Papiamentsfabriká
Portugeesfabricar
Roemeensfabrica; produce
Saterfriesfabriksierje; häärstaale; moakje; produksierje
Spaansfabricar
Westerlauwers Friesfabrisearje; meitsje