Informatie over het woord besturen (Nederlands → Esperanto: estri)

Uitspraak/bəˈstyːrə(n)/
Afbrekingbe·stu·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) bestuur(ik) bestuurde
(jij) bestuurt(jij) bestuurde
(hij) bestuurt(hij) bestuurde
(wij) besturen(wij) bestuurden
(gij) bestuurt(gij) bestuurdet
(zij) besturen(zij) bestuurden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) besture(dat ik) bestuurde
(dat jij) besture(dat jij) bestuurde
(dat hij) besture(dat hij) bestuurde
(dat wij) besturen(dat wij) bestuurden
(dat gij) besturet(dat gij) bestuurdet
(dat zij) besturen(dat zij) bestuurden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
bestuurbestuurt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
besturend, besturende(hebben) bestuurd

Voorbeelden van gebruik

De Griekse regering moet volgens de Fransman maar eens leren hoe ze moet besturen.

Vertalingen

Afrikaansin bedwang hou; bestuur
Deenslede
Duitsanführen; befehligen; führen; leiten
Engelsgovern; master; run
Esperantoestri
Portugeesadministrar; dirigir
Spaanscapitanear; subyugar
Srananprey basi; prey edeman