Informatie over het woord aanstellen (Nederlands → Esperanto: enoficigi)

Uitspraak/ˈanstɛlə(n)/
Afbrekingaan·stel·len
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) stel aan(ik) stelde aan
(jij) stelt aan(jij) stelde aan
(hij) stelt aan(hij) stelde aan
(wij) stellen aan(wij) stelden aan
(gij) stelt aan(gij) steldet aan
(zij) stellen aan(zij) stelden aan
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) aanstelle(dat ik) aanstelde
(dat jij) aanstelle(dat jij) aanstelde
(dat hij) aanstelle(dat hij) aanstelde
(dat wij) aanstellen(dat wij) aanstelden
(dat gij) aanstellet(dat gij) aansteldet
(dat zij) aanstellen(dat zij) aanstelden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
stel aanstelt aan
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
aanstellend, aanstellende(hebben) aangesteld

Vertalingen

Afrikaansaanstel
Engelsappoint
Esperantoenoficigi
Italiaansnominare
Spaansnombrar
Westerlauwers Friesbeneame; oanstelle