Informatie over het woord tappen (Nederlands → Esperanto: eltiri)

Uitspraak/ˈtɑpə(n)/
Afbrekingtap·pen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) tap(ik) tapte
(jij) tapt(jij) tapte
(hij) tapt(hij) tapte
(wij) tappen(wij) tapten
(gij) tapt(gij) taptet
(zij) tappen(zij) tapten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) tappe(dat ik) tapte
(dat jij) tappe(dat jij) tapte
(dat hij) tappe(dat hij) tapte
(dat wij) tappen(dat wij) tapten
(dat gij) tappet(dat gij) taptet
(dat zij) tappen(dat zij) tapten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
taptapt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
tappend, tappende(hebben) getapt

Vertalingen

Afrikaansontlok; uithaal
Catalaansarrancar
Duitsentlocken; entziehen; extrahieren; zapfen; zücken
Engelspull; draw
Esperantoeltiri
Fransretirer
Portugeestirar fora
Spaansarrancar