Informatie over het woord uitdrijven (Nederlands → Esperanto: elpeli)

Uitspraak/ˈœʏ̯drɛɪ̯və(n)/
Afbrekinguit·drij·ven
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) uitdrijf(ik) uitdreef
(jij) uitdrijft(jij) uitdreef
(hij) uitdrijft(hij) uitdreef
(wij) uitdrijven(wij) uitdreven
(gij) uitdrijft(gij) uitdreeft
(zij) uitdrijven(zij) uitdreven
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) uitdrijve(dat ik) uitdreve
(dat jij) uitdrijve(dat jij) uitdreve
(dat hij) uitdrijve(dat hij) uitdreve
(dat wij) uitdrijven(dat wij) uitdreven
(dat gij) uitdrijvet(dat gij) uitdrevet
(dat zij) uitdrijven(dat zij) uitdreven
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
drijf uitdrijf uit
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
uitdrijvend, uitdrijvende(hebben) uitgedreven

Voorbeelden van gebruik

De bedoeling ervan was om de kwade geesten, die in het vuur verborgen mochten zijn, uit te drijven.

Vertalingen

Catalaansexpulsar
Duitsausstoßen; bannen
Engelsexpel
Esperantoelpeli
Fransrejeter par intolérance
Saterfriesbanne; uutsteete
Spaansexpulsar