Informatie over het woord uitklimmen (Nederlands → Esperanto: elgrimpi)

Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) klim uit(ik) klom uit
(jij) klimt uit(jij) klom uit
(hij) klimt uit(hij) klom uit
(wij) klimmen uit(wij) klommen uit
(jullie) klimmen uit(jullie) klommen uit
(gij) klimt uit(gij) klomt uit
(zij) klimmen uit(zij) klommen uit
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) uitklimme(dat ik) uitklomme
(dat jij) uitklimme(dat jij) uitklomme
(dat hij) uitklimme(dat hij) uitklomme
(dat wij) uitklimmen(dat wij) uitklommen
(dat jullie) uitklimmen(dat jullie) uitklommen
(dat gij) uitklimmet(dat gij) uitklommet
(dat zij) uitklimmen(dat zij) uitklommen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
klim uitklimt uit
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
uitklimmend, uitklimmende(zijn) uitgeklommen

Vertalingen

Duitsherausklettern
Esperantoelgrimpi