Informatie over het woord uitflappen (Nederlands → Esperanto: elbabili)

Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) flap uit(ik) flapte uit
(jij) flapt uit(jij) flapte uit
(hij) flapt uit(hij) flapte uit
(wij) flappen uit(wij) flapten uit
(gij) flapt uit(gij) flaptet uit
(zij) flappen uit(zij) flapten uit
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) uitflappe(dat ik) uitflapte
(dat jij) uitflappe(dat jij) uitflapte
(dat hij) uitflappe(dat hij) uitflapte
(dat wij) uitflappen(dat wij) uitflapten
(dat gij) uitflappet(dat gij) uitflaptet
(dat zij) uitflappen(dat zij) uitflapten
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
uitflappend, uitflappende(hebben) uitgeflapt

Vertalingen

Duitsausplaudern
Esperantoelbabili
Fransdivulguer; ébruiter; rapporter
Portugeesrevelar tagarelando