Information über das Wort uitbuiten (Niederländisch → Esperanto: ekspluati)

Aussprache/ˈœʏ̯dbœʏ̯tə(n)/
Trennunguit·bui·ten
WortartVerb

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) buit uit(ik) buitte uit
(jij) buit uit(jij) buitte uit
(hij) buit uit(hij) buitte uit
(wij) buiten uit(wij) buitten uit
(gij) buit uit(gij) buittet uit
(zij) buiten uit(zij) buitten uit
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) uitbuite(dat ik) uitbuitte
(dat jij) uitbuite(dat jij) uitbuitte
(dat hij) uitbuite(dat hij) uitbuitte
(dat wij) uitbuiten(dat wij) uitbuitten
(dat gij) uitbuitet(dat gij) uitbuittet
(dat zij) uitbuiten(dat zij) uitbuitten
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
buit uitbuit uit
Partizipien
Erstes PartizipZweites Partizip
uitbuitend, uitbuitende(hebben) uitgebuit

Gebrauchsbeispiele

Ondertussen in het dal van de Scaum buitte Hache‐Moncour Rhialto’s afwezigheid ten volle uit.

Übersetzungen

Dänischudbytte
Deutschabbauen; ausbeuten; ausnutzen; exploitieren; nutzbar machen; nutzen
Englischexploit
Esperantoekspluati
Färöerischama út; eyðræna
Französischexploiter
Italienischsfruttare
Katalanischexplotar
Luxemburgischexploitéieren
Papiamentoeksplotá
Portugiesischexplorar
Saterfriesischpiegelje; plukje; uutnutsje
Spanischexplotar
Westfriesischeksploitearje