Informatie over het woord ontploffen (Nederlands → Esperanto: eksplodi)

Uitspraak/ɔntˈplɔfə(n)/
Afbrekingont·plof·fen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) ontplof(ik) ontplofte
(jij) ontploft(jij) ontplofte
(hij) ontploft(hij) ontplofte
(wij) ontploffen(wij) ontploften
(gij) ontploft(gij) ontploftet
(zij) ontploffen(zij) ontploften
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) ontploffe(dat ik) ontplofte
(dat jij) ontploffe(dat jij) ontplofte
(dat hij) ontploffe(dat hij) ontplofte
(dat wij) ontploffen(dat wij) ontploften
(dat gij) ontploffet(dat gij) ontploftet
(dat zij) ontploffen(dat zij) ontploften
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
ontploffend, ontploffende(zijn) ontploft

Voorbeelden van gebruik

De politie vermoedt dat een bom uit de Tweede Wereldoorlog is ontploft.
De munitie zal weldra ontploffen.
Zouden de bommen dan niet ontploft zijn?

Vertalingen

Catalaansexplotar
Deenseksplodere
Duitsausbrechen; explodieren; in die Luft fliegen; in die Luft gehen; platzen; zerplatzen
Engelsexplode
Esperantoeksplodi
Faeröersbresta
Finsräjähtää
Fransexploser
Poolswybuchnąć
Portugeesestalar; explodir; fazer explosão; prorromper
Roemeensexploda
Russischвзрываться
Saterfriesexplodierje; platsje
Westerlauwers Friesûntploffe
Zweedsexplodera