Informatie over het woord finden (Duits → Esperanto: trovi)

Uitspraak/ˈfɪndən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) finde(ich) fand
(du) findest(du) fandest, fandst
(er) findet(er) fand
(wir) finden(wir) fanden
(ihr) findet(ihr) fandet
(sie) finden(sie) fanden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) finde(ich) fände
(du) findest(du) fändest
(er) finde(er) fände
(wir) finden(wir) fänden
(ihr) findet(ihr) fändet
(sie) finden(sie) fänden
Gebiedende wijs
(du) finde
(ihr) findet
finden Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
findend(haben) gefunden

Voorbeelden van gebruik

Sie fanden sie in ihrem Zimmer.

Vertalingen

Afrikaansbevind; vind; aantref
Albaneesgjej
Catalaanstrobar
Deensfinde
Engelsfind; strike
Engels (Oudengels)findan; gemetan; metan
Esperantotrovi
Faeröersfinna
Finslöytää
Franstrouver
Hongaarstalál
IJslandsfinna
Italiaanstrovare
Latijnreperire
Luxemburgsfannen
Nederlandsaantreffen; bevinden; treffen; vinden
Noorsfinne
Papiamentshaña; haya
Poolsznaleźć
Portugeesachar; asceitar; deparar; encontrar
Roemeensgăsi
Russischнайти; находить
Saterfriesanträffe; befiende; fiende; träffe
Schots-Gaelischfaigh
Spaansencontrar; hallar
Srananfeni
Tsjechischnacházet; najít; nalézat; nalézt; shledat
Turksbulmak
Westerlauwers Friesfine
Zweedsfinna; hitta; upphitta