Informatie over het woord uithalen (Nederlands → Esperanto: fari)

Uitspraak/ˈœʏ̯tɦalə(n)/
Afbrekinguit·ha·len
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) haal uit(ik) haalde uit
(jij) haalt uit(jij) haalde uit
(hij) haalt uit(hij) haalde uit
(wij) halen uit(wij) haalden uit
(gij) haalt uit(gij) haaldet uit
(zij) halen uit(zij) haalden uit
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) uithale(dat ik) uithaalde
(dat jij) uithale(dat jij) uithaalde
(dat hij) uithale(dat hij) uithaalde
(dat wij) uithalen(dat wij) uithaalden
(dat gij) uithalet(dat gij) uithaaldet
(dat zij) uithalen(dat zij) uithaalden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
haal uithaalt uit
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
uithalend, uithalende(hebben) uitgehaald

Voorbeelden van gebruik

Jij hebt al meer dan genoeg stommiteiten uitgehaald.

Vertalingen

Afrikaansbedryf; bedrywe; begaan; doen; maak; pleeg; verrig; vervaardig
Catalaansfer
Deensaflægge; gøre; lave
Duitsabhalten; abstatten; anfertigen; ausführen; begehen; bereiten; bewirken; erledigen; erschaffen; erzeugen; geben; halten; herstellen; hervorbringen; machen; schließen; schneiden; stellen; tun; unterbreiten; verrichten
Engelsact; carry out; commit; do; form; make; perform; reach; render; work
Esperantofari
Faeröersgera
Fransconstruire; fabriquer; faire; opérer; poser
Italiaanscommettere; fare
Maleisbuat; membuat
Papiamentshasi
Poolsczynić; robić
Portugeescometer; confeccionar; executar; fazer; formar
Roemeensface
Russischделать; сделать
Saterfriesdwo; fabriksierje; häärstaale; moakje; produksierje
Spaanshacer
Sranandu; meki
Swahili‐fanya
Thaisต่อ; ทำ
Tsjechischčinit; dělat; konat; učinit; udělat; vykonat
Turksetmek; yapmak
Westerlauwers Friesdwaan; dwaen; oanmeitsje; meitsje
Zweedsgöra