Information about the word uitplanten (Dutch → Esperanto: planti)

Part of speechverb
Pronunciation/ˈœʏ̯tplɑntə(n)/
Hyphenationuit·plan·ten

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) plant uit(ik) plantte uit
(jij) plant uit(jij) plantte uit
(hij) plant uit(hij) plantte uit
(wij) planten uit(wij) plantten uit
(gij) plant uit(gij) planttet uit
(zij) planten uit(zij) plantten uit
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) uitplante(dat ik) uitplantte
(dat jij) uitplante(dat jij) uitplantte
(dat hij) uitplante(dat hij) uitplantte
(dat wij) uitplanten(dat wij) uitplantten
(dat gij) uitplantet(dat gij) uitplanttet
(dat zij) uitplanten(dat zij) uitplantten
Imperative mood
Singular/PluralPlural
plant uitplant uit
Participles
Present participlePast participle
uitplantend, uitplantende(hebben) uitgeplant

Translations

Englishplant
Esperantoplanti