Informatie over het woord dichtsluiten (Nederlands → Esperanto: ŝlosi)

Uitspraak/ˈdɪx(t)slœʏ̯tə(n)/
Afbrekingdicht·slui·ten
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) sluit dicht(ik) sloot dicht
(jij) sluit dicht(jij) sloot dicht
(hij) sluit dicht(hij) sloot dicht
(wij) sluiten dicht(wij) sloten dicht
(gij) sluit dicht(gij) sloot dicht
(zij) sluiten dicht(zij) sloten dicht
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) dichtsluite(dat ik) dichtslote
(dat jij) dichtsluite(dat jij) dichtslote
(dat hij) dichtsluite(dat hij) dichtslote
(dat wij) dichtsluiten(dat wij) dichtsloten
(dat gij) dichtsluitet(dat gij) dichtslotet
(dat zij) dichtsluiten(dat zij) dichtsloten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
sluit dichtsluit dicht
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
dichtsluitend, dichtsluitende(hebben) dichtgesloten

Voorbeelden van gebruik

De nachtportier liet de drie heren uit en sloot zorgvuldig de deur weer achter hen dicht.

Vertalingen

Engelslock
Esperantoŝlosi