Informatie over het woord sassen (Nederlands → Esperanto: pisi)

Uitspraak/ˈsɑsə(n)/
Afbrekingsas·sen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) sas(ik) saste
(jij) sast(jij) saste
(hij) sast(hij) saste
(wij) sassen(wij) sasten
(gij) sast(gij) sastet
(zij) sassen(zij) sasten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) sasse(dat ik) saste
(dat jij) sasse(dat jij) saste
(dat hij) sasse(dat hij) saste
(dat wij) sassen(dat wij) sasten
(dat gij) sasset(dat gij) sastet
(dat zij) sassen(dat zij) sasten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
sassast
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
sassend, sassende(hebben) gesast

Vertalingen

Duitsurinieren; Wasser lassen
Engelsurinate; pee
Esperantopisi; urini