Informatie over het woord treffen (Duits → Esperanto: trafi)

Uitspraak/ˈtrɛfən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) treffe(ich) traf
(du) triffst(du) trafst
(er) trifft(er) traf
(wir) treffen(wir) trafen
(ihr) trefft(ihr) traft
(sie) treffen(sie) trafen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) treffe(ich) träfe
(du) treffest(du) träfest
(er) treffe(er) träfe
(wir) treffen(wir) träfen
(ihr) treffet(ihr) träfet
(sie) treffen(sie) träfen
Gebiedende wijs
(du) triff
(ihr) trefft
treffen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
treffend(haben) getroffen

Voorbeelden van gebruik

Der Mann war in den unteren Rücken und in die Schulter getroffen worden, und immer noch sickerte Blut in den Sand.

Vertalingen

Afrikaansraak; tref; teister
Catalaanscaure; encertar; endevinar; ensopegar
Engelsencounter; hit; strike
Esperantotrafi
Faeröersraka; ráma
Fransatteindre; frapper; parvenir; saisir
Italiaanscolpire
Maleismemukul; pukul
Nederlandshalen; inslaan; raken; slaan; teisteren; treffen
Papiamentsraka
Poolstrafić
Portugeesacertar; atingir; dar no alvo
Russischбить; ударить
Saterfriesmäite; roakje; träffe
Spaansacertar; dar con; dar en
Tsjechischtrefit; zasáhnout
Westerlauwers Friestreffe