Informatie over het woord opmaken (Nederlands → Esperanto: prepari)

Uitspraak/ˈɔpmakə(n)/
Afbrekingop·ma·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) maak op(ik) maakte op
(jij) maakt op(jij) maakte op
(hij) maakt op(hij) maakte op
(wij) maken op(wij) maakten op
(gij) maakt op(gij) maaktet op
(zij) maken op(zij) maakten op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) opmake(dat ik) opmaakte
(dat jij) opmake(dat jij) opmaakte
(dat hij) opmake(dat hij) opmaakte
(dat wij) opmaken(dat wij) opmaakten
(dat gij) opmaket(dat gij) opmaaktet
(dat zij) opmaken(dat zij) opmaakten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
maak opmaakt op
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
opmakend, opmakende(hebben) opgemaakt

Voorbeelden van gebruik

Daar hebben ze de bedden nog niet opgemaakt.

Vertalingen

Afrikaansbedissel; berei; voorberei
Catalaanspreparar
Deensforberede
Duitsbereiten; vorbereiten
Engelsprepare
Esperantoprepari
Faeröersfyrireika; gera til
Franspréparer
Italiaansallestire; preparare
Papiamentsprepará
Poolsprzygotować
Portugeesaparelhar; aprontar; preparar
Russischготовить
Saterfriesberaitje; kloormoakje
Spaansaderezar; adobar; preparar
Tsjechischchystat; nachystat; přichystat; připravit; připravovat
Welsparatoi
Westerlauwers Friesoanmeistje
Zweedsbereda; förbereda; tillaga; tillreda