Informatie over het woord natrekken (Nederlands → Esperanto: esplori)

Uitspraak/ˈnatrɛkə(n)/
Afbrekingna·trek·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) trek na(ik) trok na
(jij) trekt na(jij) trok na
(hij) trekt na(hij) trok na
(wij) trekken na(wij) trokken na
(gij) trekt na(gij) trokt na
(zij) trekken na(zij) trokken na
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) natrekke(dat ik) natrokke
(dat jij) natrekke(dat jij) natrokke
(dat hij) natrekke(dat hij) natrokke
(dat wij) natrekken(dat wij) natrokken
(dat gij) natrekket(dat gij) natrokket
(dat zij) natrekken(dat zij) natrokken
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
trek natrekt na
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
natrekkend, natrekkende(hebben) nagetrokken

Voorbeelden van gebruik

Je had een en ander moeten natrekken bij Ildefonse.

Vertalingen

Afrikaansondersoék; verken
Catalaansexaminar; explorar; indagar
Deensundersøge
Duitsausforschen; erforschen; forschen; unterforschen; untersuchen
Engelscheck out
Esperantoesplori
Faeröerskanna; rannsaka
Finstutkia
Fransexaminer; explorer; fouiller; rechercher; reconnaître
Papiamentsaberiguá; investigá
Portugeesbuscar; escavar; explorar; investigar; pesquisar
Roemeenscerceta; explora
Saterfriesfoarskje; unnersäike; uutfoarskje
Spaansexaminar; explorar
Tsjechischprohlížet; prozkoumat; zkoumat
Turksaraştırmak