Informatie over het woord winnen (Nederlands → Esperanto: venki)

Uitspraak/ˈʋinə(n)/
Afbrekingwin·nen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) win(ik) won
(jij) wint(jij) won
(hij) wint(hij) won
(wij) winnen(wij) wonnen
(gij) wint(gij) wont
(zij) winnen(zij) wonnen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) winne(dat ik) wonne
(dat jij) winne(dat jij) wonne
(dat hij) winne(dat hij) wonne
(dat wij) winnen(dat wij) wonnen
(dat gij) winnet(dat gij) wonnet
(dat zij) winnen(dat zij) wonnen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
winwint
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
winnend, winnende(hebben) gewonnen

Voorbeelden van gebruik

U won natuurlijk?
Won de zee, dan zouden zij de eerste slachtoffers zijn, doch niet de laatste.
Heb je gewonnen?
Het zal geleidelijk gaan, maar winnen zullen we dan zeker.

Vertalingen

Afrikaansverslaan; seëvier
Catalaanssuperar; vèncer
Deensbesejre
Duitsbemeistern; besiegen; bewältigen; meistern; siegen; überwinden
Engelsbeat; defeat; overcome; overthrow; surmount; vanquish; win over; get the better of
Esperantovenki
Faeröerssigra; vinna
Finsvoittaa
Fransabattre; surmonter; vaincre
Papiamentsderotá; vense
Portugeesdebelar; derrotar; levar de vencida; sobrepujar; superar
Roemeenscâștiga; învinge
Saterfriesfersmääje; fersmätse; remäntje; siegje; uurtwinge; uurwinne; winne
Spaansvencer
Thaisชนะ; ขนะ
Tsjechischpřekonat; přemoci; zdolat
Turksaltetmek
Westerlauwers Friesferslaan
Zweedsbesegra