Informatie over het woord afnemen (Nederlands → Esperanto: tranĉi)

Uitspraak/ˈɑfnemə(n)/
Afbrekingaf·ne·men
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) neem af(ik) nam af
(jij) neemt af(jij) nam af
(hij) neemt af(hij) nam af
(wij) nemen af(wij) namen af
(gij) neemt af(gij) naamt af
(zij) nemen af(zij) namen af
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) afneme(dat ik) afname
(dat jij) afneme(dat jij) afname
(dat hij) afneme(dat hij) afname
(dat wij) afnemen(dat wij) afnamen
(dat gij) afnemet(dat gij) afnamet
(dat zij) afnemen(dat zij) afnamen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
neem afneemt af
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
afnemend, afnemende(hebben) afgenomen

Voorbeelden van gebruik

Wilt u even afnemen?

Vertalingen

Catalaanstallar
Deensskære
Duitsschneiden
Engelscut
Engels (Oudengels)ceorfan; scieran
Esperantotranĉi
Faeröersskera
Finsleikata
Franscouper; tailler; trancher
Hawaiaanshōʻoki; kaha; kālai; mō; moku; mokuhia; mokumoku; momoku; ʻoki
Hongaarsvág
IJslandssníða
Italiaanstagliare
Jiddischשנײַדן
Latijnscalpere; secare
Luxemburgsschneiden
Maleispotong; memotong
Noorsskjære; kutte
Papiamentskòrta
Poolsciąć
Portugeescortar; partir; talhar
Roemeenstăia
Russischрезать
Saterfriessniede
Schots-Gaelischgeàrr
Spaanscortar
Thaisตัด; ผ่า
Tsjechischkrájet; nakrájet; ostříhat; řezat; říznout; stříhat
Turkskesmek
Westerlauwers Friesfykje; snije