Informatie over het woord schwingen (Duits → Esperanto: svingiĝi)

Uitspraak/ˈʃvɪŋən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) schwinge(ich) schwang
(du) schwingst(du) schwangst
(er) schwingt(er) schwang
(wir) schwingen(wir) schwangen
(ihr) schwingt(ihr) schwangt
(sie) schwingen(sie) schwangen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) schwinge(ich) schwänge
(du) schwingest(du) schwängest
(er) schwinge(er) schwänge
(wir) schwingen(wir) schwängen
(ihr) schwinget(ihr) schwänget
(sie) schwingen(sie) schwängen
Gebiedende wijs
(du) schwinge
(ihr) schwingt
schwingen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
schwingend(haben) geschwungen

Vertalingen

Deenssvinge
Engelsswing; vibrate
Esperantosvingiĝi
Nederlandsgieren; slingeren; zwaaien; zwiepen; zwieren; zwindelen; zwirrelen
Portugeesagitar‐se
Saterfriesswänke; swierje; swooie