Informatie over het woord migreren (Nederlands → Esperanto: migri)

Uitspraak/miˈɣrerə(n)/
Afbrekingmi·gre·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) migreer(ik) migreerde
(jij) migreert(jij) migreerde
(hij) migreert(hij) migreerde
(wij) migreren(wij) migreerden
(gij) migreert(gij) migreerdet
(zij) migreren(zij) migreerden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) migrere(dat ik) migreerde
(dat jij) migrere(dat jij) migreerde
(dat hij) migrere(dat hij) migreerde
(dat wij) migreren(dat wij) migreerden
(dat gij) migreret(dat gij) migreerdet
(dat zij) migreren(dat zij) migreerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
migreermigreert
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
migrerend, migrerende(zijn) gemigreerd

Voorbeelden van gebruik

Op zoek naar vers gras migreren meer dan een miljoen gnoes jaarlijks van Tanzania naar Kenia.v

Vertalingen

Afrikaansswerf; trek
Catalaansmigrar
Duitswandern
Engelsmigrate
Esperantomigri
Faeröersfjakka
Finsvaeltaa
Fransvoyager au loin
Latijnmigrare
Portugeescorrer terras; transmigrar
Saterfrieswonderje
Spaanscorrer mundo; mudarse de país