Information about the word opstappen (Dutch → Esperanto: foriri)

Part of speechverb
Pronunciation/ˈɔpstɑpə(n)/
Hyphenationop·stap·pen

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) stap op(ik) stapte op
(jij) stapt op(jij) stapte op
(hij) stapt op(hij) stapte op
(wij) stappen op(wij) stapten op
(gij) stapt op(gij) staptet op
(zij) stappen op(zij) stapten op
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) opstappe(dat ik) opstapte
(dat jij) opstappe(dat jij) opstapte
(dat hij) opstappe(dat hij) opstapte
(dat wij) opstappen(dat wij) opstapten
(dat gij) opstappet(dat gij) opstaptet
(dat zij) opstappen(dat zij) opstapten
Imperative mood
Singular/PluralPlural
stap opstapt op
Participles
Present participlePast participle
opstappend, opstappende(zijn) opgestapt

Usage samples

Sinds 2010 is hij de zevende PVV‐parlementariër die opstapt.

Translations

Afrikaansaftrek; vertrek
Albanian
Danishafgå; afrejse; go ud; rejse bort
Englishgo away
Esperantoforiri
Faeroesefara avstað
Frenchpartir; s’en aller
Germanfortgehen; heimgehen; verscheiden; weggehen; sich entfernen
Icelandicfara
Italianandarsene; partire
Latinabaetere; abire; abitere; abscedere
Malayberangkat
Norwegiandra bort
Papiamentosali
Polishusunąć
Portugueseafastar‐se; ausentar‐se; partir; retirar‐se
Romanianpleca; se îndepărta
Russianуехать
Saterland Frisianouraisje; wächgunge
Scottish Gaelicfàg; falbh; imich
Spanishausentarse; irse
Swedishge sig iväg
Thaiออก
Turkishbırakmak
West Frisianfuortgean; ôfsette; ôfstekke