Informatie over het woord waken (Nederlands → Esperanto: gardi)

Uitspraak/ˈʋakə(n)/
Afbrekingwa·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) waak(ik) waakte
(jij) waakt(jij) waakte
(hij) waakt(hij) waakte
(wij) waken(wij) waakten
(gij) waakt(gij) waaktet
(zij) waken(zij) waakten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) wake(dat ik) waakte
(dat jij) wake(dat jij) waakte
(dat hij) wake(dat hij) waakte
(dat wij) waken(dat wij) waakten
(dat gij) waket(dat gij) waaktet
(dat zij) waken(dat zij) waakten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
waakwaakt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
wakend, wakende(hebben) gewaakt

Voorbeelden van gebruik

Eerst beweerde de arme man dat er geen diefstal gepleegd kon zijn omdat hij de hele nacht gewaakt had en dat bleef hij een hele tijd volhouden.

Vertalingen

Catalaansguardar
Deenspasse
Duitsbeaufsichtigen; behüten; beschützen; bewachen; bewahren; hüten; im Zaum halten; überwachen; wachen über; wahren
Engelsguard; watch
Esperantogardi
Faeröersansa eftir; verja
Finsvartioida
Fransgarder; protéger
Papiamentsvigilá
Portugeesguardar; velar; vigiar
Saterfriesbewoakje; woarje
Spaanscustodiar; guardar
Srananwakti
Westerlauwers Friesbeweitsje
Zweedsvakta