Informatie over het woord oplopen (Nederlands → Esperanto: ricevi)

Uitspraak/ˈɔplopə(n)/
Afbrekingop·lo·pen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) loop op(ik) liep op
(jij) loopt op(jij) liep op
(hij) loopt op(hij) liep op
(wij) lopen op(wij) liepen op
(gij) loopt op(gij) liept op
(zij) lopen op(zij) liepen op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) oplope(dat ik) opliepe
(dat jij) oplope(dat jij) opliepe
(dat hij) oplope(dat hij) opliepe
(dat wij) oplopen(dat wij) opliepen
(dat gij) oplopet(dat gij) opliepet
(dat zij) oplopen(dat zij) opliepen
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
oplopend, oplopende(hebben) opgelopen

Voorbeelden van gebruik

Aan beide zijden waren ridders die zware verwondingen hadden opgelopen.

Vertalingen

Afrikaansbekom; kry; ontvang
Catalaansobtenir; rebre; tenir
Deensfå; modtage
Duitsbekommen; empfangen; erhalten
Engelscatch; receive
Engels (Oudengels)onfon
Esperantoricevi
Faeröersfáa
Finssaada
Fransaccueillir; recevoir
IJslands
Italiaansricevere
Luxemburgsempfänken
Maleismenerima; terima; mendapat
Noors
Papiamentsakohé; haña; haya
Poolsotrzymać
Portugeeshaver; obter; receber
Roemeensprimi
Russischполучать; получить
Saterfriesämpfange; ärhoolde; behoolde; kriege
Schots-Gaelischfaigh
Spaansobtener; recibir
Sranankisi
Swahili‐pata
Thaisรับ; เอา
Tsjechischdostat; dostati; obdržet
Turksalmak
Welscael
Westerlauwers Frieskrije; ûntfange; geniete
Zweedsbekomma; anamma; få; undfå