Informatie over het woord staan (Nederlands → Esperanto: esti)

Uitspraak/stan/
Afbrekingstaan
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) sta(ik) stond
(jij) staat(jij) stond
(hij) staat(hij) stond
(wij) staan(wij) stonden
(gij) staat(gij) stondt
(zij) staan(zij) stonden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) sta(dat ik) stonde
(dat jij) sta(dat jij) stonde
(dat hij) sta(dat hij) stonde
(dat wij) staan(dat wij) stonden
(dat gij) staat(dat gij) stondet
(dat zij) staan(dat zij) stonden
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
staand, staande(hebben) gestaan

Vertalingen

Afrikaanswees
Albaneesjam
Berbersili (ⵉⵍⵉ)
Catalaansésser; estar; haver‐hi; ser
Deensvære
Duitssein; werden
Engelsbe
Engels (Oudengels)beon; wesan
Esperantoesti
Faeröersvera
Finsolla
Fransêtre
Grieksείναι
Hongaarslenni
IJslandsvera
Jiddischזײַן
Latijnesse
Luxemburgssinn
Noorsvære
Papiamentsta
Poolsbyć
Portugeesachar‐se; estar; existir; ser
Roemeensfi
Russischбыть
Saterfrieswäide; weese
Spaansestar; ser
Sranana; na; de
Thaisคือ; ใช่; เป็น
Tsjechischbýt; býti
Turksolmak
Westerlauwers Frieswêze
Zweedsvara