Informo pri la vorto opschieten (nederlanda → esperanto: rapidi)

Prononco/ˈɔpsxitə(n)/
Dividoop·schie·ten
Vortspecoverbo

Konjugacio

Indikativo
PrezencoPreterito
(ik) schiet op(ik) schoot op
(jij) schiet op(jij) schoot op
(hij) schiet op(hij) schoot op
(wij) schieten op(wij) schoten op
(gij) schiet op(gij) schoot op
(zij) schieten op(zij) schoten op
Subjunktivo
PrezencoPreterito
(dat ik) opschiete(dat ik) opschote
(dat jij) opschiete(dat jij) opschote
(dat hij) opschiete(dat hij) opschote
(dat wij) opschieten(dat wij) opschoten
(dat gij) opschietet(dat gij) opschotet
(dat zij) opschieten(dat zij) opschoten
Imperativo
Singularo/PluraloPluralo
schiet opschiet op
Participoj
Prezenca participoPreterita participo
opschietend, opschietende(zijn) opgeschoten

Uzekzemploj

Daarom moeten we nu opschieten.

Tradukoj

afrikansogou maak; haas
anglago fast; hasten; hurry; rush; speed; hustle
danaskynde sig
esperantorapidi
francase dépêcher
germanaeilen; sputen
hispanaapresurarse
italaaffrettarsi
okcidenta frizonajeie
polaśpieszyć się
portugalaapressar‐se
rumanase grăbi
saterlanda frizonabänselje; bruusje; flitskje; gau loope; ielje; joagje; kielje; näidje; tauje; tichelje
skota gaelagreas