Information about the word aannemen (Dutch → Esperanto: dungi)

Part of speechverb
Pronunciation/ˈanemə(n)/
Hyphenationaan·ne·men

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) neem aan(ik) nam aan
(jij) neemt aan(jij) nam aan
(hij) neemt aan(hij) nam aan
(wij) nemen aan(wij) namen aan
(gij) neemt aan(gij) naamt aan
(zij) nemen aan(zij) namen aan
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) aanneme(dat ik) aanname
(dat jij) aanneme(dat jij) aanname
(dat hij) aanneme(dat hij) aanname
(dat wij) aannemen(dat wij) aannamen
(dat gij) aannemet(dat gij) aannamet
(dat zij) aannemen(dat zij) aannamen
Imperative mood
Singular/PluralPlural
neem aanneemt aan
Participles
Present participlePast participle
aannemend, aannemende(hebben) aangenomen

Usage samples

Ik neem je weer aan!
Ik hoor dat je zo’n goede werkkracht hebt aangenomen.
Neem jij al die vaklieden aan?

Translations

Catalancontractar; llogar
Englishengage
Esperantodungi
Faeroesefesta; leiga; útvega
Finnishpalkata
Frenchembaucher
Germananstellen; anwerben; dingen; einstellen; heuern; in Dienst nehmen; in Lohn nehmen; mieten
Portugueseassalariar; contratar; empregar; engajar; tomar a serviço
Saterland Frisiananwierwe; hiere; tingje; winne
Spanishtomar a sueldo
Swedishengagera
Thaiจ้าง