Informatie over het woord nederleggen (Nederlands → Esperanto: kuŝigi)

Uitspraak/ˈnedərlɛɣə(n)/
Afbrekingne·der·leg·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) leg neder(ik) legde neder
(jij) legt neder(jij) legde neder
(hij) legt neder(hij) legde neder
(wij) leggen neder(wij) legden neder
(gij) legt neder(gij) legdet neder
(zij) leggen neder(zij) legden neder
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) nederlegge(dat ik) nederlegde
(dat jij) nederlegge(dat jij) nederlegde
(dat hij) nederlegge(dat hij) nederlegde
(dat wij) nederleggen(dat wij) nederlegden
(dat gij) nederlegget(dat gij) nederlegdet
(dat zij) nederleggen(dat zij) nederlegden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
leg nederlegt neder
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
nederleggend, nederleggende(hebben) nedergelegd

Voorbeelden van gebruik

Ze legden hun last neder en begonnen het graf open te maken.

Vertalingen

Deenslægge
Duitslegen; hinlegen; niederlegen
Engelslay
Esperantokuŝigi
Faeröersleggja
Franscoucher
IJslandsleggja
Noorslegge
Portugeesdeitar; estender
Roemeensașeza
Russischкласть; положить
Saterfrieslääse
Spaanscolocar; poner
Tsjechischklást; pokládat; položit; uložit
Westerlauwers Frieslizze
Zweedslägga