Informatie over het woord opbellen (Nederlands → Esperanto: telefoni)

Uitspraak/ˈɔbɛlə(n)/
Afbrekingop·bel·len
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) bel op(ik) belde op
(jij) belt op(jij) belde op
(hij) belt op(hij) belde op
(wij) bellen op(wij) belden op
(gij) belt op(gij) beldet op
(zij) bellen op(zij) belden op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) opbelle(dat ik) opbelde
(dat jij) opbelle(dat jij) opbelde
(dat hij) opbelle(dat hij) opbelde
(dat wij) opbellen(dat wij) opbelden
(dat gij) opbellet(dat gij) opbeldet
(dat zij) opbellen(dat zij) opbelden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
bel opbelt op
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
opbellend, opbellende(hebben) opgebeld

Voorbeelden van gebruik

Toen liep hij rood aan en spoedde zich naar binnen om op te gaan bellen.
Ik ben blij dat u opbelt.
Dan zal ik meteen naar het hotel opbellen dat ik niet kom.
U raadt mij dus aan de politie op te bellen?
Bel jij dus de hoofdredacteur maar op en zeg hem dat hij zijn gang kan gaan.
Het geroep van de opbellende heer stierf weg, en de geleerde kon duidelijk de stem van iemand anders waarnemen.

Vertalingen

Afrikaansbel; skakel
Deenstelefonere
Duitstelephonieren; anrufen
Engelsring
Esperantotelefoni; telefoni al
Faeröersringja
Franstéléphoner
Grieksτηλεφωνώ
Hongaarstelefonál
Papiamentsbèl; yama
Poolstelefonować
Portugeestelefonar
Roemeenstelefona
Saterfriesanroupe; telephonierje
Thaisต่อ
Zweedsanropa; telefonera