Informatie over het woord slaan (Nederlands → Esperanto: trafi)

Uitspraak/slan/
Afbrekingslaan
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) sla(ik) sloeg
(jij) slaat(jij) sloeg
(hij) slaat(hij) sloeg
(wij) slaan(wij) sloegen
(gij) slaat(gij) sloegt
(zij) slaan(zij) sloegen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) sla(dat ik) sloege
(dat jij) sla(dat jij) sloege
(dat hij) sla(dat hij) sloege
(dat wij) slaan(dat wij) sloegen
(dat gij) slaat(dat gij) sloeget
(dat zij) slaan(dat zij) sloegen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
slaslaat
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
slaand, slaande(hebben) geslagen

Voorbeelden van gebruik

Moge Pteor hem slaan met jicht!

Vertalingen

Afrikaansraak; tref; teister
Catalaanscaure; encertar; endevinar; ensopegar
Duitstreffen
Engelshit; strike
Esperantotrafi
Faeröersraka; ráma
Fransatteindre; frapper; parvenir; saisir
Italiaanscolpire
Maleismemukul; pukul
Papiamentsraka
Poolstrafić
Portugeesacertar; atingir; dar no alvo
Russischбить; ударить
Saterfriesmäite; roakje; träffe
Spaansacertar; dar con; dar en
Tsjechischtrefit; zasáhnout
Westerlauwers Friestreffe