Informatie over het woord opvoeren (Nederlands → Esperanto: prezenti)

Uitspraak/ˈopfuːrə(n)/
Afbrekingop·voe·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) voer op(ik) voerde op
(jij) voert op(jij) voerde op
(hij) voert op(hij) voerde op
(wij) voeren op(wij) voerden op
(gij) voert op(gij) voerdet op
(zij) voeren op(zij) voerden op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) opvoere(dat ik) opvoerde
(dat jij) opvoere(dat jij) opvoerde
(dat hij) opvoere(dat hij) opvoerde
(dat wij) opvoeren(dat wij) opvoerden
(dat gij) opvoeret(dat gij) opvoerdet
(dat zij) opvoeren(dat zij) opvoerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
voer opvoert op
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
opvoerend, opvoerende(hebben) opgevoerd

Vertalingen

Afrikaansaanbied; bedien; optree; voorstel; presenteer; índien; opvoer
Catalaanspresentar
Deensforestille; præsentere; servere; udføre
Duitsanbieten; aufführen; bieten; darstellen; präsentieren; vorstellen; sich bieten
Engelsperform
Esperantoprezenti
Faeröersbera fram; kunna; nevna; vísa
Finsesittää
Fransoffrir; présenter
IJslandskynna
Italiaanspresentare
Noorspresentere
Papiamentspresentá
Poolsprzedstawiać
Portugeesapresentar; oferecer
Roemeensintroduce; prezenta
Saterfriesanbjoode; apfiere; bjoode; deerstaale; foarstaale
Spaanspresentar; representar; retratar
Thaisถวาย; แนะนำ; ยื่น
Westerlauwers Friesoanbiede; ôfbyldzje; biede; bringe; dwaan
Zweedspresentera