Information about the word aanzetten (Dutch → Esperanto: ŝalti)

Pronunciation/ˈanzɛtə(n)/
Hyphenationaan·zet·ten
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) zet aan(ik) zette aan
(jij) zet aan(jij) zette aan
(hij) zet aan(hij) zette aan
(wij) zetten aan(wij) zetten aan
(gij) zet aan(gij) zettet aan
(zij) zetten aan(zij) zetten aan
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) aanzette(dat ik) aanzette
(dat jij) aanzette(dat jij) aanzette
(dat hij) aanzette(dat hij) aanzette
(dat wij) aanzetten(dat wij) aanzetten
(dat gij) aanzettet(dat gij) aanzettet
(dat zij) aanzetten(dat zij) aanzetten
Imperative mood
Singular/PluralPlural
zet aanzet aan
Participles
Present participlePast participle
aanzettend, aanzettende(hebben) aangezet

Usage samples

Vijf minuten later kreeg hij koffie en zette zijn vrouw de televisie aan.
Zijn handen verdwenen onder de bovenkant van zijn bureau om de onzichtbare bandrecorder aan te zetten.

Translations

Afrikaansaanskakel; aansit
Catalanconnectar; endollar
Englishswitch on; turn on
Esperantoŝalti
Finnishkytkeä
Frenchallumer; brancher; mettre en circuit; mettre en marche; mettre le contact; ouvrir; tourner; tourner l’interrupteur
Germananschalten; einschalten
Hungariankapcsol
Italianaccendere
Malayloncat … meloncat
Polishwłączać
Portugueseacender; ligar
Russianвключать
Scottish Gaeliccuir air
Thaiเปิด