Informatie over het woord struik (Nederlands → Esperanto: arbedo)

Uitspraak/strœʏ̯k/
Afbrekingstruik
Woordsoortzelfstandig naamwoord
Geslachtmanlijk
Meervoudstruiken

Verkleinwoord
EnkelvoudMeervoud
struikjestruikjes

Voorbeelden van gebruik

Hij hoorde takjes breken tussen de struiken, maar hij zag hem niet.
Er was zelfs geen struik om zich achter te verbergen en Pierrot en Nepeese zagen hem opnieuw.

Vertalingen

DuitsStrauch
Engelsshrub; bush
Esperantoarbedo
LuxemburgsTrausch
Spaansmata
Tsjechischkeř; křoví