Informatie over het woord verrichten (Nederlands → Esperanto: fari)

Uitspraak/vəˈrɪxtə(n)/
Afbrekingver·rich·ten
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) verricht(ik) verrichtte
(jij) verricht(jij) verrichtte
(hij) verricht(hij) verrichtte
(wij) verrichten(wij) verrichtten
(gij) verricht(gij) verrichttet
(zij) verrichten(zij) verrichtten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) verrichte(dat ik) verrichtte
(dat jij) verrichte(dat jij) verrichtte
(dat hij) verrichte(dat hij) verrichtte
(dat wij) verrichten(dat wij) verrichtten
(dat gij) verrichtet(dat gij) verrichttet
(dat zij) verrichten(dat zij) verrichtten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
verrichtverricht
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
verrichtend, verrichtende(hebben) verricht

Voorbeelden van gebruik

Kwade daden werden hier verricht.
Dokter Bowen, naar wie Wenden direct met zijn nieuws ging, verrichtte een lijkschouwing op het vreemde lichaam en ontdekte eigenaardigheden die hem volstrekt voor een raadsel stelden.

Vertalingen

Afrikaansbedryf; bedrywe; begaan; doen; maak; pleeg; verrig; vervaardig
Catalaansfer
Deensaflægge; gøre; lave
Duitsabhalten; abstatten; anfertigen; ausführen; begehen; bereiten; bewirken; erledigen; erschaffen; erzeugen; geben; halten; herstellen; hervorbringen; machen; schließen; schneiden; stellen; tun; unterbreiten; verrichten
Engelsdo
Engels (Oudengels)macian; don
Esperantofari
Faeröersgera
Finstehdä
Fransconstruire; fabriquer; faire; opérer; poser
Hawaiaanshana
Hongaarsesinál; tesz
IJslandsgera
Italiaanscommettere; fare
Jiddischמאַכן
Latijnfacere
Luxemburgsmaachen; doen
Maleisbuat; membuat
Noorsgjøre
Papiamentshasi
Poolsczynić; robić
Portugeescometer; confeccionar; executar; fazer; formar
Roemeensface
Russischделать; сделать
Saterfriesdwo; fabriksierje; häärstaale; moakje; produksierje
Schots-Gaelischdèan
Spaanshacer
Sranandu; meki
Swahili‐fanya
Thaisต่อ; ทำ
Tsjechischčinit; dělat; konat; učinit; udělat; vykonat
Turksetmek; yapmak
Westerlauwers Friesdwaan; dwaen; oanmeitsje; meitsje
Zweedsgöra