Informatie over het woord grommen (Nederlands → Esperanto: grumbli)

Uitspraak/ˈɣrɔmə(n)/
Afbrekinggrom·men
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) grom(ik) gromde
(jij) gromt(jij) gromde
(hij) gromt(hij) gromde
(wij) grommen(wij) gromden
(gij) gromt(gij) gromdet
(zij) grommen(zij) gromden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) gromme(dat ik) gromde
(dat jij) gromme(dat jij) gromde
(dat hij) gromme(dat hij) gromde
(dat wij) grommen(dat wij) gromden
(dat gij) grommet(dat gij) gromdet
(dat zij) grommen(dat zij) gromden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
gromgromt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
grommend, grommende(hebben) gegromd

Voorbeelden van gebruik

De verhuizers gromden slechts.
„Bij Crom, ik vecht wel als je dat zo graag wilt!” gromde Conan, terwijl hij ook zijn zwaard ophief.
„Als ik het niet dacht!” gromde de oude Schot.

Vertalingen

Catalaansremuguejar; rondinar
Deensbrumme; knurre
Duitsbrummen; knurren; murren; nörgeln
Engelsgrowl; grumble
Esperantogrumbli
Faeröersgrenja
Finsnurista
Fransgrogner; râler
Portugeesresmungar; rosnar
Russischбрюзжать
Saterfrieswrakje
Spaansrefunfuñar; rezongar