Informatie over het woord fiksen (Nederlands → Esperanto: ripari)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈfɪksə(n)/
Afbrekingfik·sen

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) fiks(ik) fikste
(jij) fikst(jij) fikste
(hij) fikst(hij) fikste
(wij) fiksen(wij) fiksten
(gij) fikst(gij) fikstet
(zij) fiksen(zij) fiksten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) fikse(dat ik) fikste
(dat jij) fikse(dat jij) fikste
(dat hij) fikse(dat hij) fikste
(dat wij) fiksen(dat wij) fiksten
(dat gij) fikset(dat gij) fikstet
(dat zij) fiksen(dat zij) fiksten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
fiksfikst
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
fiksend, fiksende(hebben) gefikst

Vertalingen

Afrikaansregmaak
Catalaansarreglar; reparar
Deensreparere
Duitsreparieren
Engelsfix; mend; repair
Engels (Oudengels)hælan
Esperantoripari
Faeröersbøta; væla um
Fransrefaire; remédier; réparer; restaurer; goupiller
Italiaansaggiustare; riparare
Latijnreparare
Maleismembetulkan
Papiamentsdrecha
Poolsnaprawiać
Portugeesconsertar; reparar; restaurar
Saterfriesreparierje
Spaansaderezar; arreglar; reparar; restaurar
Thaisแก้
Westerlauwers Friesferhelpe; reparearje; meitsje
Zweedsreparera; rätta