Informasie oor die woord zwichten (Nederlands → Esperanto: cedi)

Uitspraak/ˈzʋɪxtə(n)/
Afbrekingzwich·ten
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) zwicht(ik) zwichtte
(jij) zwicht(jij) zwichtte
(hij) zwicht(hij) zwichtte
(wij) zwichten(wij) zwichtten
(gij) zwicht(gij) zwichttet
(zij) zwichten(zij) zwichtten
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) zwichte(dat ik) zwichtte
(dat jij) zwichte(dat jij) zwichtte
(dat hij) zwichte(dat hij) zwichtte
(dat wij) zwichten(dat wij) zwichtten
(dat gij) zwichtet(dat gij) zwichttet
(dat zij) zwichten(dat zij) zwichtten
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
zwichtzwicht
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
zwichtend, zwichtende(zijn) gezwicht

Voorbeelde van gebruik

Ten slotte moest hij wel zwichten.
Orsino zwichtte met tegenzin.
In het najaar van 2013 lag het hele akkoord al ter goedkeuring voor, maar toen zwichtte president Viktor Janukovyč voor de Russische druk.
Hij moet en hij zal zwichten of ik heet geen De Malderé.

Vertalinge

Afrikaansafstaan
Deensgive efter
Duitsabtreten; einräumen; nachgeben; überlassen; übertragen; weichen; zedieren; zurückweichen
Engelsgive way
Esperantocedi
Faroëeseftirlíka; lata sær lynda
Finsväistyä
Fransabandonner; abdiquer; céder; reculer
Hongaarsenged
Italiaanscedere
Katalaanscedir
Portugeesabdicar; alhear; ceder; submeter‐se; transigir
Saterfriesätterreeke; outreede; wieke
Spaansceder
Sweedscedere
Turksteslim etmek
Wes‐Friesôfstean