Information about the word opbrengen (Dutch → Esperanto: doni)

Pronunciation/ˈɔbrɛŋə(n)/
Hyphenationop·bren·gen
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) breng op(ik) bracht op
(jij) brengt op(jij) bracht op
(hij) brengt op(hij) bracht op
(wij) brengen op(wij) brachten op
(gij) brengt op(gij) bracht op
(zij) brengen op(zij) brachten op
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) opbrenge(dat ik) opbrachte
(dat jij) opbrenge(dat jij) opbrachte
(dat hij) opbrenge(dat hij) opbrachte
(dat wij) opbrengen(dat wij) opbrachten
(dat gij) opbrenget(dat gij) opbrachtet
(dat zij) opbrengen(dat zij) opbrachten
Participles
Present participlePast participle
opbrengend, opbrengende(hebben) opgebracht

Usage samples

Wat moet die steen opbrengen?

Translations

Afrikaansaangee; gee; verleen
Albanianjap
Catalandonar
Czechdát
Danishgive
Englishafford; yield; fetch
English (Old English)giefan
Esperantodoni
Faeroesegeva
Finnishantaa
Frenchabouler; bailler; donner; passer
Germanangeben; anvertrauen; ergeben; erteilen; geben; gestatten; gewähren; herreichen; machen; reichen; spenden; tragen; überantworten; übergeben; verabreichen
Hungarianad; nyújt
Icelandicgefa
Italiandare
Latindare; donare; doare
Luxemburgishginn
Malayberi … memberi; bagi; memberi; beri
Norwegiangi
Papiamentoduna
Polishdać; dawać
Portuguesedar; entregar; ministrar
Romanianda
Russianдавать; дать
Saterland Frisiananreeke; häärreeke; reeke
Scottish Gaelicthoir
Spanishdar
Sranangi
Swedishge; giva
Thaiให้
Turkishbahşetmek; vermek
West Frisianoanjaan; jaan
Yiddishגעבן