Informatie over het woord geven (Nederlands → Esperanto: doni)

Uitspraak/ˈɣevə(n)/
Afbrekingge·ven
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) geef(ik) gaf
(jij) geeft(jij) gaf
(hij) geeft(hij) gaf
(wij) geven(wij) gaven
(gij) geeft(gij) gaaft
(zij) geven(zij) gaven
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) geve(dat ik) gave
(dat jij) geve(dat jij) gave
(dat hij) geve(dat hij) gave
(dat wij) geven(dat wij) gaven
(dat gij) gevet(dat gij) gavet
(dat zij) geven(dat zij) gaven
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
geefgeeft
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
gevend, gevende(hebben) gegeven

Voorbeelden van gebruik

Ze hadden hem hun waarschuwing gegeven en die had hij begrepen.
Ik geef u één goudstuk, meer niet.
Geef me vijf minuten.
Ik zou er niets voor geven.
De zee geeft en de zee neemt.
Geef me de zadeltas van de Rus, Lalla.
De hemel geve dat het zo is.

Vertalingen

Afrikaansaangee; gee; verleen
Albaneesjap
Catalaansdonar
Deensgive
Duitsangeben; anvertrauen; ergeben; erteilen; geben; gestatten; gewähren; herreichen; machen; reichen; spenden; tragen; überantworten; übergeben; verabreichen
Engelsafford; allow; deal; give; impart; spare; yield; fetch
Engels (Oudengels)giefan
Esperantodoni
Faeröersgeva
Finsantaa
Fransabouler; bailler; donner; passer
Hongaarsad; nyújt
IJslandsgefa
Italiaansdare
Jiddischגעבן
Latijndare; donare; doare
Luxemburgsginn
Maleisberi … memberi; bagi; memberi; beri
Noorsgi
Papiamentsduna
Poolsdać; dawać
Portugeesdar; entregar; ministrar
Roemeensda
Russischдавать; дать
Saterfriesanreeke; häärreeke; reeke
Schots-Gaelischthoir
Spaansdar
Sranangi
Thaisให้
Tsjechischdát
Turksbahşetmek; vermek
Westerlauwers Friesoanjaan; jaan
Zweedsge; giva