Informatie over het woord sitzen (Duits → Esperanto: sidi)

Uitspraak/ˈzɪtsən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) sitze(ich) saß
(du) sitzt(du) saßest, saßt
(er) sitzt(er) saß
(wir) sitzen(wir) saßen
(ihr) sitzt(ihr) saßt
(sie) sitzen(sie) saßen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) sitze(ich) säße
(du) sitzest(du) säßest
(er) sitze(er) säße
(wir) sitzen(wir) säßen
(ihr) sitzet(ihr) säßet
(sie) sitzen(sie) säßen
Gebiedende wijs
(du) sitze
(ihr) sitzt
sitzen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
sitzend(haben) gesessen

Voorbeelden van gebruik

Sie saß vor dem hohen, altmodischen Spiegel im Schlafzimmer und kämmte sich.

Vertalingen

Afrikaanssit
Berbersqqim (ⵇⵇⵉⵎ)
Catalaansseure
Deenssidde
Engelssit
Engels (Oudengels)sittan
Esperantosidi
Faeröerssita
Finsistua
Fransêtre assis; sièger
Hawaiaansnoho
Hongaarsül
Italiaansessere seduto
Jiddischזיצן
Latijnsedere
Maleisduduk
Nederlandszitten
Noorssitte
Papiamentssinta
Poolssiedzieć; siadać
Portugeesestar sentado; ter assento
Russischпосидеть; сидеть
Saterfriessitte
Schots-Gaelischsuidh
Spaansestar sentado
Sranansidon
Swahili‐kaa
Thaisนั่ง
Tsjechischsedět
Turksoturmak
Welseistedd
Westerlauwers Friessitte
Zweedssitta