Informatie over het woord afnemen (Nederlands → Esperanto: depreni)

Uitspraak/ˈɑfnemə(n)/
Afbrekingaf·ne·men
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) neem af(ik) nam af
(jij) neemt af(jij) nam af
(hij) neemt af(hij) nam af
(wij) nemen af(wij) namen af
(gij) neemt af(gij) naamt af
(zij) nemen af(zij) namen af
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) afneme(dat ik) afname
(dat jij) afneme(dat jij) afname
(dat hij) afneme(dat hij) afname
(dat wij) afnemen(dat wij) afnamen
(dat gij) afnemet(dat gij) afnamet
(dat zij) afnemen(dat zij) afnamen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
neem afneemt af
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
afnemend, afnemende(hebben) afgenomen

Voorbeelden van gebruik

Toen hij die afnam, bleef tot mijn ontsteltenis zijn hoofdhaar eraan hangen.
De vader trad naar voren en nam zijn pet af.
Mijn oom nam zijn bril af, nam een sterk vergrootglas en onderzocht de eerste bladzijde van het boek nauwkeurig.

Vertalingen

Duitsabholen; abnehmen
Engelsdoff; take away
Esperantodepreni
Faeröerstaka av
Fransprélever; retrancher
Papiamentskita
Portugeesdescontar; tirar
Saterfriesouhoalje; ounieme
Spaansquitar; restar