Informatie over het woord varen (Nederlands → Esperanto: iri)

Uitspraak/ˈvarə(n)/
Afbrekingva·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) vaar(ik) voer
(jij) vaart(jij) voer
(hij) vaart(hij) voer
(wij) varen(wij) voeren
(gij) vaart(gij) voert
(zij) varen(zij) voeren
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) vare(dat ik) voere
(dat jij) vare(dat jij) voere
(dat hij) vare(dat hij) voere
(dat wij) varen(dat wij) voeren
(dat gij) varet(dat gij) voeret
(dat zij) varen(dat zij) voeren
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
vaarvaart
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
varend, varende(hebben/zijn) gevaren

Voorbeelden van gebruik

Reizigers, waar komt ge vandaan en waarheen vaart ge?
Wat is er in die Joost gevaren?

Vertalingen

Afrikaansgaan; hom begeef; hom begewe
Berbersddu (ⴷⴷⵓ)
Catalaansanar
Deens
DuitsErfolg haben; fahren; funktionieren; gehen; gelingen; klappen; laufen; sich begeben
Engelsgo; walk
Engels (Oudengels)feran; gan; gangan
Esperantoiri
Faeröersfara; ganga
Finsmennä
Fransaller; se déplacer
Hawaiaanshele
Hongaarselmegy; megy
Italiaansandare; camminare
Jiddischפֿאָרן
Latijnire; vadere
Luxemburgsgoen
Maleispergi
Noors
Papiamentsbai
Poolsiść; pojechać
Portugeesandar; caminhar; ir
Roemeenspleca
Russischехать; идти; поехать; пойти
Saterfriesgunge; loope; treede
Schots-Gaelischrach
Spaansir
Sranango
Swahili‐enda
Thaisไป
Tsjechischchodit; jít
Turksgitmek
Welsmynd
Westerlauwers Friesgean; farre
Zweeds