Informatie over het woord aanzien (Nederlands → Esperanto: preni)

Uitspraak/ˈanzin/
Afbrekingaan·zien
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) zie aan(ik) zag aan
(jij) ziet aan(jij) zag aan
(hij) ziet aan(hij) zag aan
(wij) zien aan(wij) zagen aan
(gij) ziet aan(gij) zaagt aan
(zij) zien aan(zij) zagen aan
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) aanzie(dat ik) aanzage
(dat jij) aanzie(dat jij) aanzage
(dat hij) aanzie(dat hij) aanzage
(dat wij) aanzien(dat wij) aanzagen
(dat gij) aanziet(dat gij) aanzaget
(dat zij) aanzien(dat zij) aanzagen
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
aanziend, aanziende(hebben) aangezien

Voorbeelden van gebruik

Ik wil dat je hem heel aandachtig bekijkt, zodat je hem nooit voor een ander zult aanzien.

Vertalingen

Afrikaanshaal; neem; oppik; optel; vat
Catalaansagafar; prendre
Deensgribe; tage; tage op
Duitsfassen; nehmen
Engelsget; lay hold of; pick up; take
Esperantopreni
Faeröerstaka
Finsottaa
Fransprendre
Grieks (Oudgrieks)αἱρέω
Hongaarsvesz
Italiaansacchiappare; prendere
Latijncapere
Maleisambil
Noorsta
Papiamentstuma
Poolsbrać; wziąć
Portugeespegar; tirar; tomar
Roemeenslua
Russischбрать; взять
Saterfriesfoatje; nieme; pakje
Schots-Gaelischgabh; thoir
Spaanscoger; asir; tomar
Srananteki
Thaisเอา
Tsjechischbráti
Turksalmak
Westerlauwers Friesnimme
Zweedsfatta; ta; taga