Information about the word oppakken (Dutch → Esperanto: aresti)

Pronunciation/ˈɔpɑkə(n)/
Hyphenationop·pak·ken
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) pak op(ik) pakte op
(jij) pakt op(jij) pakte op
(hij) pakt op(hij) pakte op
(wij) pakken op(wij) pakten op
(gij) pakt op(gij) paktet op
(zij) pakken op(zij) pakten op
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) oppakke(dat ik) oppakte
(dat jij) oppakke(dat jij) oppakte
(dat hij) oppakke(dat hij) oppakte
(dat wij) oppakken(dat wij) oppakten
(dat gij) oppakket(dat gij) oppaktet
(dat zij) oppakken(dat zij) oppakten
Imperative mood
Singular/PluralPlural
pak oppakt op
Participles
Present participlePast participle
oppakkend, oppakkende(hebben) opgepakt

Usage samples

Zeker twaalf mensen werden opgepakt.
In de eerste week pakten agenten veertig mensen op.

Translations

Afrikaansarresteer; in hegtenis neem; aankeer; aanhou
Catalanarrestar; detenir
Czechzatknout
Danisharrestere
Englishapprehend; arrest; detain; nick
Esperantoaresti
Faeroesehandtaka; seta fastan
Frencharrêter
Germanarrestieren; festnehmen; verhaften
Hungarianletartóztat
Italianarrestare
Luxemburgishverhaften
Papiamentoarestá; detené
Portugueseapreender; apresar; capturar; prender
Russianарестовать; арествать
Saterland Frisianarrestierje; fäästnieme; ferhaftje
Spanisharrestar; detener
Swedishanhålla; arrestera; häkta
West Frisianarrestearje; oppakke