Ynformaasje oer it wurd aanbrengen (Nederlânsk → Esperanto: surmeti)

Utspraak/ˈambrɛŋə(n)/
Ofbrekingaan·bren·gen
Wurdsoartetiidwurd

Ferfoarming

Oantoanende foarm
NotiidDoetiid
(ik) breng aan(ik) bracht aan
(jij) brengt aan(jij) bracht aan
(hij) brengt aan(hij) bracht aan
(wij) brengen aan(wij) brachten aan
(gij) brengt aan(gij) bracht aan
(zij) brengen aan(zij) brachten aan
Oanfoegjende foarm
NotiidDoetiid
(dat ik) aanbrenge(dat ik) aanbrachte
(dat jij) aanbrenge(dat jij) aanbrachte
(dat hij) aanbrenge(dat hij) aanbrachte
(dat wij) aanbrengen(dat wij) aanbrachten
(dat gij) aanbrenget(dat gij) aanbrachtet
(dat zij) aanbrengen(dat zij) aanbrachten
hjittende foarm
Iental/MeartalMeartal
breng aanbrengt aan
Mulwurden
NomulwurdDoemulwurd
aanbrengend, aanbrengende(hebben) aangebracht

Foarbylden fan gebrûk

Ik breng uw huisnummer aan.

Oarsettingen

Afrikaanskaansit; aantrek; omsit; opsit; aandoen
Dútskanlegen; antun; anziehen; auflegen
Esperantosurmeti
Frânskappliquer; imposer; mettre; revêtir
Fryskoandwaan
Hongaarskrátesz
Ingelskapply
Poalsknałożyć
Portegeeskaplicar; apor; vestir
Roemeenskse încălța
Sealterfryskandwo; anluuke
Spaanskponer; sobreponer
Taiskพอก; สวม; ใส่