Informatie over het woord opbrengen (Nederlands → Esperanto: surmeti)

Uitspraak/ˈɔbrɛŋə(n)/
Afbrekingop·bren·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) breng op(ik) bracht op
(jij) brengt op(jij) bracht op
(hij) brengt op(hij) bracht op
(wij) brengen op(wij) brachten op
(gij) brengt op(gij) bracht op
(zij) brengen op(zij) brachten op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) opbrenge(dat ik) opbrachte
(dat jij) opbrenge(dat jij) opbrachte
(dat hij) opbrenge(dat hij) opbrachte
(dat wij) opbrengen(dat wij) opbrachten
(dat gij) opbrenget(dat gij) opbrachtet
(dat zij) opbrengen(dat zij) opbrachten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
breng opbrengt op
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
opbrengend, opbrengende(hebben) opgebracht

Vertalingen

Afrikaansaansit; aantrek; omsit; opsit; aandoen
Duitsanlegen; antun; anziehen; auflegen
Engelsapply
Esperantosurmeti
Fransappliquer; imposer; mettre; revêtir
Hongaarsrátesz
Poolsnałożyć
Portugeesaplicar; apor; vestir
Roemeensse încălța
Saterfriesandwo; anluuke
Spaansponer; sobreponer
Thaisพอก; สวม; ใส่
Westerlauwers Friesoandwaan