Informasie oor die woord wijken (Nederlands → Esperanto: cedi)

Uitspraak/ˈʋɛɪ̯kə(n)/
Afbrekingwij·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) wijk(ik) week
(jij) wijkt(jij) week
(hij) wijkt(hij) week
(wij) wijken(wij) weken
(gij) wijkt(gij) weekt
(zij) wijken(zij) weken
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) wijke(dat ik) weke
(dat jij) wijke(dat jij) weke
(dat hij) wijke(dat hij) weke
(dat wij) wijken(dat wij) weken
(dat gij) wijket(dat gij) weket
(dat zij) wijken(dat zij) weken
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
wijkwijkt
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
wijkend, wijkende(zijn) geweken

Voorbeelde van gebruik

En vanavond moet de behoedzaamheid maar eens wijken.
Maar stel dat hij, op grond van dwaasheid of roekeloosheid, weigert te wijken?
Maar Gandalf week niet.

Vertalinge

Afrikaansafstaan
Deensgive efter
Duitsabtreten; einräumen; nachgeben; überlassen; übertragen; weichen; zedieren; zurückweichen
Engelsgive way
Esperantocedi
Faroëeseftirlíka; lata sær lynda
Finsväistyä
Fransabandonner; abdiquer; céder; reculer
Hongaarsenged
Italiaanscedere
Katalaanscedir
Portugeesabdicar; alhear; ceder; submeter‐se; transigir
Saterfriesätterreeke; outreede; wieke
Spaansceder
Sweedscedere
Turksteslim etmek
Wes‐Friesôfstean