Informatie over het woord attaqueren (Nederlands → Esperanto: ataki)

Uitspraak/ɑtɑˈkerə(n)/
Afbrekingat·taqu·e·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) attaqueer(ik) attaqueerde
(jij) attaqueert(jij) attaqueerde
(hij) attaqueert(hij) attaqueerde
(wij) attaqueren(wij) attaqueerden
(gij) attaqueert(gij) attaqueerdet
(zij) attaqueren(zij) attaqueerden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) attaquere(dat ik) attaqueerde
(dat jij) attaquere(dat jij) attaqueerde
(dat hij) attaquere(dat hij) attaqueerde
(dat wij) attaqueren(dat wij) attaqueerden
(dat gij) attaqueret(dat gij) attaqueerdet
(dat zij) attaqueren(dat zij) attaqueerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
attaqueerattaqueert
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
attaquerend, attaquerende(hebben) geattaqueerd

Voorbeelden van gebruik

Het gesprek, merkte Gersen, had het animo waarmee ze de taart attaqueerde niet doen afnemen.

Vertalingen

Afrikaansaanval; takel; aangryp
Catalaansatacar
Deensangribe
Duitsanfallen; anfechten; angreifen; attackieren; ausfallen; befallen; den Kampf beginnen; in Angriff nehmen; losgehen auf; schädigen; sich hermachen über; sich machen an; überfallen; zerfressen; zerstören
Engelsassail; attack
Esperantoataki
Faeröersleypa á
Finshyökätä
Fransassaillir; attaquer
Hongaarstámad
Italiaansattaccare
Latijnappugnare; oppugnare
Papiamentsataká
Portugeesabordar; acometer; agredir; assaltar; atacar
Russischатаковать; нападать
Saterfriesanfaale; angriepe; befaale; uurfaale; uutfaale
Spaansagredir; atacar
Thaisโจมตี
Turkssaldırmak
Westerlauwers Friesoanfalle
Zweedsanfalla