Informatie over het woord vrijspreken (Nederlands → Esperanto: absolvi)

Uitspraak/ˈvrɛɪ̯sprekə(n)/
Afbrekingvrij·spre·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) spreek vrij(ik) sprak vrij
(jij) spreekt vrij(jij) sprak vrij
(hij) spreekt vrij(hij) sprak vrij
(wij) spreken vrij(wij) spraken vrij
(gij) spreekt vrij(gij) spraakt vrij
(zij) spreken vrij(zij) spraken vrij
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) vrijspreke(dat ik) vrijsprake
(dat jij) vrijspreke(dat jij) vrijsprake
(dat hij) vrijspreke(dat hij) vrijsprake
(dat wij) vrijspreken(dat wij) vrijspraken
(dat gij) vrijspreket(dat gij) vrijspraket
(dat zij) vrijspreken(dat zij) vrijspraken
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
spreek vrijspreekt vrij
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
vrijsprekend, vrijsprekende(hebben) vrijgesproken

Voorbeelden van gebruik

Een rechtbank in Brazilië heeft een 44‐jarige vrouw vrijgesproken, hoewel ze heeft bekend dat ze haar vader heeft laten vermoorden in 2005.

Vertalingen

Afrikaanskwytskeld; loslaat; vergewe; vrylaat; vryspreek; vry verklaar
Catalaansabsoldre
Duitsfreisprechen; lossprechen
Engelsabsolve; acquit
Esperantoabsolvi; malkondamni
Faeröersfyrigeva
Fransabsoudre; acquitter
Grieksαθωώνω
IJslandsfyrirgefa; sýkna; veita aflausn
Latijnabsolvere
Portugeesabsolver
Saterfriesabsolvierje; äntbiende; fräispreeke; loosspreeke
Spaansabsolver