Informatie over het woord bellen (Nederlands → Esperanto: telefoni)

Uitspraak/ˈbɛlə(n)/
Afbrekingbel·len
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) bel(ik) belde
(jij) belt(jij) belde
(hij) belt(hij) belde
(wij) bellen(wij) belden
(gij) belt(gij) beldet
(zij) bellen(zij) belden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) belle(dat ik) belde
(dat jij) belle(dat jij) belde
(dat hij) belle(dat hij) belde
(dat wij) bellen(dat wij) belden
(dat gij) bellet(dat gij) beldet
(dat zij) bellen(dat zij) belden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
belbelt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
bellend, bellende(hebben) gebeld

Voorbeelden van gebruik

Een vrouw zag het lichaam van de man vrijdagochtend liggen en belde direct de politie.
Bel ons gerust voor een kosteloos kennismakingsgesprek of een gratis informatiepakket.
Mergan dacht een ogenblik na en belde toen het ziekenhuis van Carfaunge.

Vertalingen

Afrikaansbel; skakel
Deenstelefonere
Duitstelephonieren; anrufen
Engelsphone; ring
Esperantotelefoni; telefoni al
Faeröersringja
Franstéléphoner
Grieksτηλεφωνώ
Hongaarstelefonál
Papiamentsbèl; yama
Poolstelefonować
Portugeestelefonar
Roemeenstelefona
Saterfriesanroupe; telephonierje
Thaisต่อ
Zweedsanropa; telefonera